De omgeving van het Bodenmeer heeft in de middeleeuwen, door de activiteiten van de lokale gemeenschappen, niet alleen de biodiversiteit verminderd, maar zelfs doen toenemen. Dit is gebleken uit een nieuw internationaal onderzoek dat de veranderingen in de plantengroei in het westelijke gedeelte van het Bodenmeer heeft onderzocht aan de hand van sedimentkernen.
Wetenschappers hebben voor een periode van 4000 jaar teruggekeken, met als hoofddoel te ontdekken hoe sterk de impact van de mens op het milieu geweest is. Het gebied is bijzonder geschikt voor dit soort studies, omdat er drie verschillende soorten bewijsmateriaal beschikbaar zijn. Ten eerste geven de sedimentkernen, met daarin plantencellen en stuifmeel, een duidelijk beeld van de vegetatie. Ten tweede zijn archeologische overblijfselen rijk aan plantaardige fragmenten. Ten derde vertellen historische documenten uit het beroemde klooster van Sint-Gallen ons veel over de wereld van die tijd.
Het onderzoek, gepresenteerd door het Max Planck Instituut voor Geoantropologie, toont met behulp van de sedimentkernen data met een resolutie van 50 jaar, waarmee kan worden vastgesteld welke planten er rondom het meer groeiden. Dit helpt ons te begrijpen wanneer de biodiversiteit toenam of afnam.
Tussen 2000 voor Christus en 500 na Christus was de biodiversiteit relatief laag, met alleen 27 soorten die in de kernmonsters konden worden geïdentificeerd. Na 500 na Christus begon het aantal plantengroepen echter te groeien, van 27 naar 40 rond het jaar 1000. Deze periode rond het jaar 1000 markeert het hoogtepunt van plantendiversiteit, met een geschat aantal plantensoorten tussen de 200 en 300.
Belangrijk is te vermelden dat tussen 950 en 1250, een periode van een klimaatoptimum, de levensomstandigheden in Europa verbeterden voor zowel mensen als de natuur. Dit milde klimaat zorgde voor een langere vegetatieperiode en iets meer neerslag, wat gunstig was voor de plantengroei.
Dit klimaatoptimum manifesteerde zich niet overal tegelijkertijd, maar had doorgaans de grootste impact in Europa. Wetenschappers waren zich hiervan bewust en hebben hier aandacht aan besteed in hun onderzoek.
Hoewel de biodiversiteit werkelijk toenam tijdens dit klimaatoptimum, bleek dat deze rijkdom ook na deze warme periode gehandhaafd bleef. Dit suggereert dat niet alleen het klimaat verantwoordelijk was voor de groeiende diversiteit.
Een verklaring hiervoor kan de introductie van nieuwe landbouwmethoden zijn, die het landschap meer divers maakten. Door de ontwikkeling van tijdelijke leefgebieden konden verschillende planten betere leefomstandigheden vinden, bijvoorbeeld aan de randen van verlichte bossen, op graslanden of op braakliggende akkers. Dit alles is echter verdwenen door de moderne intensieve monocultuur landbouw.
Bovendien kon de toename van de handel nieuwe plantensoorten introduceren, en zelfs gematigde menselijke verstoringen hadden een positieve invloed op de soortendiversiteit.
Tegenwoordig is het van groot belang om methoden te begrijpen waarmee we rijkere natuurrijke omgevingen kunnen handhaven, waar zowel biologische diversiteit als essentiële voedselgewassen een plek kunnen krijgen.







